Erfgoed van de week: Sint Antonius lieve vrind…

Door Bert Fermin

De katholieke kerk erkent vele heiligen, meer dan dagen in het jaar. Heiligen werden ook van vele verschillende materialen vervaardigd: oorspronkelijk natuurlijk van vlees en bloed, maar ook van bijvoorbeeld hout, steen, keramiek en metaal of ze werden geschilderd op muren of in boeken. Heiligen waren – zeker in de late middeleeuwen – overal aanwezig. God kon om hulp, raad of bescherming worden gevraagd via een heilige, en een beeltenis van de betreffende heilige was daarbij een hulpmiddel om die voor je te zien.

De meeste heiligenbeeldjes die in de Zutphense bodem worden aangetroffen zijn vervaardigd van keramiek, vooral van witte pijpaarde. Vanaf de vijftiende eeuw had ieder huishouden wel minstens één heiligenbeeldje van pijpaarde, vervaardigd in een mal en daarna door een “heylighenbacker” gebakken en beschilderd (al blijft van die kleuren vrijwel niets over in de bodem).
Daarnaast kwamen beeltenissen of namen van heiligen voor op tal van gebruiksvoorwerpen, van mantelspelden tot messen. De reformatie maakte een einde aan deze trend, en na de zestiende eeuw worden er eigenlijk geen heiligenbeeldjes meer gevonden. De Unie van Utrecht in 1579 beloofde weliswaar godsdienstvrijheid, maar katholieken – degenen die iets met heiligen hadden – mochten hun geloof niet meer in het openbaar belijden en dus werden heiligen in de bodem na de zestiende eeuw zeldzaam.

Daar kwam verandering in na 1796, toen in de Frans-Bataafse tijd het katholieke geloof weer in de openbaarheid beleden mocht worden. Vanaf de negentiende eeuw komen we in de grond weer volop katholieke geloofsuitingen tegen, vooral nadat de kerk in1910 metalen scapuliermedailles officieel toestond. De meeste van deze objecten zijn gemaakt van metaal, en dat geldt ook voor de heiligenbeeldjes. Dit zijn vaak kleine tinnen beeldjes die in een capsule van messing of ander metaal los in de zak werden gedragen (zie de voorbeeldfoto). Ze worden beduidend minder vaak gevonden dan medailles, maar laatst dook er weer eentje op bij een archeologisch onderzoek in De Hoven. Een klein tinnen frutseltje, met de modder er nog op amper als zodanig te herkennen. Maar de vinder ervan, Sicco Siegers, hield voet bij stuk, en inderdaad: eenmaal schoon bleek het een beeldje te zijn. Iets meer dan twee centimeter hoog. Het beeldje bestond uit twee personen: iemand in een lang gewaad en een kindje op diens arm. De eerste associatie was Maria met Kind, maar vergelijking met dergelijke beeldjes wees op een ander heilige: Sint Antonius van Padua. Ook hij wordt afgebeeld met een lang gewaad aan en de jonge Christus op zijn arm (en in de andere hand een lelie of een rijksappel). Hoewel Antonius van Padua een relatief jonge heilige is (“pas” sinds 1232), was hij extreem populair. Hij werd om hulp gevraagd door armen en zieken, bakkers, mijnwerkers en zeelui, kinderen en volwassenen, getrouwde en ongetrouwde stellen, kortom door iedereen. En natuurlijk door archeologen. Want bovenal is hij bekend als dingenvinder. Iedere katholiek heeft vroeger het rijmpje gehoord “Sint Antonius lieve vrind, maak dat ik mijn xxxxxx vind”. En zo vonden we dankzij Sint Antonius dus een miniatuur heiligenbeeldje. En dat is nog maar het begin…