Erfgoed van de week: De oude akkerlaag
Door Bert Fermin
We moeten het toch eens hebben over oude akkerlagen. Dit is een fenomeen dat in Zutphen en omgeving in vrijwel iedere opgraving te zien is, maar waar een hoop misverstanden over bestaan. Ook bij archeologen en fysisch geografen. Vaak worden ze versleten voor esdekken of podzolbodems. En een verkeerde interpretatie kan leiden tot een verkeerd advies en de kans dat archeologische vindplaatsen worden afgeschreven terwijl ze eigenlijk juist een hoge potentie hebben.
Maar laten we beginnen met een misverstand dat vaak opduikt in archeologische selectieadviezen. Vaak wordt een vindplaats afgeschreven omdat “de bodemopbouw niet meer intact is”. Een intact bodemprofiel zou een podzolbodem moeten hebben. Een podzolprofiel kenmerkt zich door een lichtgekleurde uitspoelingslaag en een donkere inspoelingslaag met humus en mineralen. Podzolering is een natuurlijk proces waarmee veel tijd gemoeid is. Wat boeren het eerste deden als ze land gingen ontginnen is die podzolbodem kapot ploegen, zodat de aarde los werd en de mineralen en humus weer homogeen door de bouwvoor kwamen. Daarmee is een podzolbodem juist een teken dat er géén menselijke activiteit heeft plaatsgevonden, aangezien iedereen vroeger boer was. Behalve jager-verzamelaars in de diepe prehistorie. Als je daar resten van wil vinden is een podzolbodem geen probleem, omdat die pas na de ijstijd gevormd is. Maar onder of ín een oude akkerlaag kun je ook gereedschappen van jager/verzamelaars vinden.
Een oude akkerlaag (fossiele bouwvoor) tekent zich dus doorgaans strak af ten opzichte van het ongeroerde zand daaronder. De bovenkant ervan is het oude loopoppervlak (het maaiveld). Oude grondsporen vinden we echter ónder deze akkerlaag. Dit zijn de onderkanten van de kuilen en paalgaten die ooit door mensen zijn gegraven. De bovenkanten van deze ingravingen zijn weer deel geworden van die akkerlaag, waarin immers eeuwen of zelfs millennialang is geploegd.
Niet interessant?
Nog een misverstand is dat oude akkerlagen niet interessant zouden zijn. Veel archeologische bedrijven verzamelen geen materiaal uit deze laag omdat deze vondsten geen context zouden hebben. Maar de vondsten die in de grondsporen eronder zitten, zitten ook ín de oude akkerlaag. Ruimtelijk geven ze wel degelijk een beeld. Bij de aanleg van een archeologisch vlak dient de locatie van een huisplaats zich al aan in de oude akkerlaag doordat daar veel vondstmateriaal geconcentreerd is. En het gat hier niet alleen om de verploegde potscherven uit de kuilen, maar ook om het afval dat los op het erf lag. Het gros van de vondsten van een vindplaats zit dus in de oude akkerlaag en niet in de grondsporen. Waarom zou je dat niet verzamelen?
Oude akkerlagen bevatten scherven uit de prehistorie, Romeinse tijd, vroege middeleeuwen en het begin van de late middeleeuwen. Je vindt ze in het buitengebied, maar ook gewoon in de binnenstad, mits er natuurlijk geen kelder doorheen is gegraven.
Oude akkerlagen zijn soms dikker dan dat een ploegschaar diep gaat. Dat komt omdat het rivierduin- / dekzandlandschap nogal “geaccidenteerd” was ("hobbelig" in normaal Nederlands). Door eeuwenlang ploegen werd het oude oppervlak steeds egaler, en zo komt het dat de lage delen een dikkere bouwvoor hebben. De dikte van de oude bouwvoor kan dus variëren. Maar er is niet bewust opgehoogd met zand van elders.
Veel vondsten in esdekken
Dat laatste is wel het geval bij een esdek. Een esdek is een humusrijke zandlaag die bijna altijd boven óp een oude akkerlaag ligt. Een oude akkerlaag is bruin tot grijsbruin, een esdek is donkergrijs tot zwart van kleur. Esdekken verschijnen in deze regionen ergens in de dertiende of veertiende eeuw (verschilt per locatie). Ze beginnen zodra akkerarealen in handen komen van de stad (de precieze startdata zijn vaak gewoon in het archief terug te vinden). Daarom bevatten esdekken ook veel vondsten: het gaat vaak om zand dat vermengd is met stadsmest en -afval. Het werd met karren naar een akker gereden en daar opgebracht. Vaak worden er voorwerpen in gevonden die duidelijk in de stad thuishoren en niet op een boerderij.
