Erfgoed van de week: Oorlog is kinderspel?
Door Arjan den Braven

Eind vorig jaar vonden archeologen van de gemeente Zutphen bij proefsleuvenonderzoek in De Hoven-Noord een miniatuurversie van een roodbakkende kan uit de late zestiende eeuw. Normaliter zou dit uitzonderlijk kleine kannetje zonder twijfel als kinderspeelgoed (poppenservies) zijn geïnterpreteerd, ware het niet dat het gevonden is in een afvalkuil van een legerkamp uit de Tachtigjarige Oorlog. De soldaten van het ‘Staatse’ (Nederlandse) leger die hier in 1584-86 waren gelegerd, zullen niet met poppen hebben gespeeld en daarom is de grote vraag hoe dit miniatuurkannetje geïnterpreteerd kan worden.
De miniatuurkan met piepklein schenklipje is nog geen 7 centimeter hoog en heeft een inhoud van slechts 6,7 centiliter, ongeveer net zoveel als een groot borrelglas. Alleen al gezien de zeer geringe inhoud is functioneel gebruik als schenkkan vrijwel uitgesloten. Daarbij is kan aan binnen- en buitenzijde enkel spaarzaam geglazuurd en door het poreuze baksel niet bepaald waterdicht. Nu worden bij archeologisch onderzoek geregeld miniatuur-gebruiksvoorwerpen van keramiek, glas en metaal gevonden, veelal tafel- en keukengerei dat letterlijk tot in de kleinste details is nagemaakt. Veel miniaturen dateren uit de zestiende tot en met de achttiende eeuw. Doorgaans wordt het geïnterpreteerd als ‘poppengoed’, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen kinderspeelgoed (voor meisjes) en nog kleiner formaat servies bedoeld voor poppenhuizen waarmee met name welgestelde dames konden pronken.
De miniatuurkan uit De Hoven is te groot voor een poppenhuis, maar zou qua grootte wel heel goed als speelgoed kunnen hebben gediend. Maar als dat zo is, wat doet dergelijk poppengoed dan in een legerkamp? Dat is misschien minder vreemd dan het lijkt. In de Tachtigjarige Oorlog hadden legers vaak een groot ‘gevolg’ van bedienden, vrouwen (van divers pluimage) en zelfs kinderen. Het is bekend dat cavalerie-eenheden van het Spaanse leger in de Lage Landen voor meer dan de helft (!) uit niet-militairen konden bestaan, met vooral veel knechten die voor de paarden moesten zorgen. Bij de Spaanse infanterie bestond ongeveer een tiende deel uit niet-militairen en waarschijnlijk lagen de verhoudingen in het Staatse leger niet veel anders. Beide legers werden bevolkt door een internationaal gemengd gezelschap waaronder Duitse, Engelse, Schotse, Ierse en Zwitserse soldaten die hun diensten soms afwisselend aan beide partijen aanboden, zoals we in een eerdere Erfgoed van de Week al konden lezen. Het was daarbij niet ongewoon dat getrouwde soldaten die voor lange tijd ver van huis waren hun vrouw en kinderen meenamen.
De vondst uit De Hoven staat niet op zichzelf. Zo zijn bijvoorbeeld in het door onze collega’s van RAAP opgegraven Staatse legerkamp ‘Het Groot Quartier op het Spijk’ (1635-36) twee miniaturen gevonden die eveneens in verband worden gebracht met de mogelijke aanwezigheid van kinderen in het kampement.
Meer weten over het dagelijks leven in een legerkamp in de Tachtigjarige Oorlog? Op de BNA-Contactdagen in Zutphen (6-8 mei 2026) geven Arjan den Braven (Team Archeologie Gemeente Zutphen) en Eric Norde (RAAP) een lezing over dit onderwerp. Klik hier voor meer informatie over de BNA-Contactdagen in Zutphen.
Op de afbeeldingen:
Boven: De roodbakkende miniatuur-kan uit een afvalkuil in een Staats legerkamp uit 1584-86. )Afbeelding Erfgoedcentrum Zutphen.)
Onder: Uitsnede ‘Kinder-spel’ op de titelpagina van Houwelick door Jacob Cats (1625). Op de voorgrond meisjes die spelen met poppengoed; rechts daarvan een groep kinderen die marcherende soldaten nadoen. (Afbeelding Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1937-1679)
