Erfgoed van de week: De pleepot van de Paulus Potterstraat

Door Bert Fermin

Niks zo alledaags als een wc. We gaan er meerdere keren per dag heen. Wc’s zijn overal: in ieder huishouden, ieder pand. Wc. Watercloset. Closet betekent afgesloten, privaat. Water betekent water, stromend water liefst. En dan heeft een wc ook nog een afvoer nodig, liefst uitkomend op een riool. En dat stromende water en een bijbehorend rioolstelsel is wat maakt dat een wc niet zo vanzelfsprekend is als we vaak denken.

Lange tijd was een wc een bezoek aan de mestvaalt, een pispot onder je bed die je op straat leeg kieperde, een kamertje dat uitkwam op een grote beerput die eens in de zoveel jaar werd geleegd, een klein huisje buiten waar een tonnetje in stond. Kloosters hadden soms een privé-riool, maar pas in 1866 werd de eerste aangezet gemaakt voor een stedelijk riool in Zutphen, en het zou nog héél lang duren voordat iedereen daar op aangesloten was.

Voor stromend water was waterdruk nodig en dus watertorens die geheel waterdicht waren. Niet voor de uitvinding van portlandcement en beton eind negentiende eeuw. Of er werd, zoals in de Drogenapstoren in 1890, een groot vat boven in de toren gezet.

Toch werd het eerste watercloset al uitgevonden tegen het einde van de achttiende eeuw. Al gauw bestonden er prachtig versierde toiletpotten met waterspoeling onder de rand. Maar dan moest je wel héél erg chique zijn. Arme mensen deelden vaak met meerdere huishoudens tegelijk een privaat aan het einde van de steeg. Zonder stromend water en desinfectiemiddelen een bron van ziekten.

Daar kwam in Zutphen in 1874 een klein beetje verandering in door de invoering van het tonnetjessysteem. Die poeptonnetjes werden door de nieuw opgerichte gemeentelijke reinigingsdienst opgehaald en vervangen door een ander tonnetje dat chemisch gereinigd was. Daar was niet iedereen blij mee, want de uitwerpselen gingen nu naar de gemeentelijke mestplaats in plaats van naar de eigen moestuin waarvan de armste mensen moesten leven. En een eigen mestvaaltje was al sinds 1866 verboden, al wil dat geenszins zeggen dat ze de jaren daarna uit het Zutphense straatbeeld verdwenen waren.

Maar terug naar de tonnetjes. Hoe zag dat eruit? In een huisje of kamertje werd een houten zitting (van brede planken met een rond gat erin en liefst scharnierend) aangebracht, af te sluiten met een ronde houten deksel, waaronder een speciaal emmertje of tonnetje stond. Een dergelijke constructie werd in 2006 nog in zijn volle gloria aangetroffen in Beukerstraat 64. Maar met de ingang van het tonnetjessysteem kwam er ook nog een meer luxe variant op de markt, afgebeeld in de Bouwkundige Bijdragen van 1879. Hierbij was een brede trechter aan de zitting gemonteerd. Als je die een stukje optilde, kon je de speciale gemeenteton eronder zetten. Die trechters werden vaak van zink gemaakt, maar in de vuilstortplaats van de Paulus Potterstraat werden stukken gevonden van een keramisch exemplaar. Geen wc-pot met een holle rand voor waterspoeling en een keurig sifon, maar wel een pot met een vergelijkbare, glimmende uitstraling. Met een platte bovenrand met gaatjes om hem aan de zitting te kunnen monteren. Daarvan moeten er vele geweest zijn, maar vreemd genoeg zijn ze in de literatuur niet terug te vinden en ook een zoektocht op het internet leverde geen vergelijkbaar exemplaar op. Alleen chique, uitbundig versierde Victoriaanse waterclosetten. En zo blijkt iets ordinairs als een stronttrechter (bij gebrek aan een beter woord) toch extreem bijzonder te zijn.

Afbeeldingen:
1 Fragment van keramische pleepot Paulus potterstraat en tekening uit 1879 van een tonnetjestoilet.
2 Tonnetje Beukerstraat 64.