Erfgoed van de week: “Jodenstenen”
Door Bert Fermin
Dit stukje gaat niet over Stolpersteine, maar over de Lapis Judaicus. De aanleiding daarvoor is een vondst van stenen met deze wat merkwaardige naam in een kuil in De Hoven, ten westen van Zutphen. Deze kuilen zijn gegraven door Staatse troepen in 1584 of 1586, tijdens de pogingen van deze legers om de Grote Schans voor de brug te veroveren. Deze was op dat moment in Spaanse handen. De kuilen bevatten een hoop verbrand materiaal, waaronder veel kookpotten. Maar dus ook “jodenstenen”.
(Tekst gaat verder onder de foto's)

Met de term jodenstenen worden fossiele zee-egelstekels bedoeld, meer specifiek de min of meer flesvormige stekels van zee-egels van de al ca. 145 miljoen jaar geleden uitgestorven geslachten Balanocidaris en Pseudocidaris. In een eerdere Erfgoed van de week hebben we de magische toepassing van de fossiele zee-egels zelf al besproken, hier gaat het dus specifiek over de stekels.
De oudste beschrijvingen die we kennen van de toepassing van deze stekels komen uit de eerste eeuw na Chr. van Plinius en Pedanius Dioscorides (De Materia Medica). Het werk van Dioscorides werd een standaardwerk dat vanuit het Grieks vertaald werd in het Latijn, Arabisch en in de zeventiende eeuw in het Engels. We leren hier dat de stekels vermalen moeten worden en dat dit poeder opgelost moet worden in warm water. Dit brouwseltje hielp volgens de logica van de signatuurleer tegen urineweginfecties en blaastenen. Ook in de Arabische wereld werden deze Hajar al-Yahudi voor dit doel vermalen. Je kon de stekels volgens de antieke deskundigen vinden in Judea, wat de naam “jodensteen” zou verklaren.
Tegen slapeloosheid
Het vermalen van stenen tot medicijnen was iets dat in de zestiende eeuw en zelfs later nog, volkomen normaal was. Op de Looërenk werd bijvoorbeeld een neolithische bijl van diabaas gevonden waar de snede haaks afgeslepen was (waardoor hij dus onbruikbaar werd als bijl). Uit een achttiende-eeuws relaas weten we dat het slijpsel van stenen bijlen hielp tegen onder andere slapeloosheid en epilepsie. Ook fossielen van onder andere belemnieten (inktvissen) en crinoïden (zeelelies) werden verpulverd tot medicijnen.
Wat de oude Grieken en Arabieren nog niet wisten, is dat de stekels ook gevonden worden in gesteenten in het Jura-tijdperk op andere plaatsen, en met name in Zuid-Duitsland en Noord-Zwitserland. Er is in Zwitserland zelfs een gesteentelaag die de Pseudocidaris thurnmanni Schicht heet vanwege de enorme hoeveelheden van deze stekels die er gevonden worden. Niet voor niets werden de stekels en hun werking al in 1565 beschreven door een Zwitser: de farmaceut en theoloog Gesner, en in 1617 door zijn vriend Wirtzung.
De Hoven
Maar terug naar De Hoven. We kunnen rustig zeggen dat de stekels daar niet van nature in de kleiige IJsselsedimenten voorkomen. De dichtstbijzijnde bron waar men ze in de zestiende eeuw verzamelde was de Jura in wat nu het Zwitsers-Duitse grensgebied is. Het kan zijn dat men de stekels in Zutphen bij een apotheek kocht (al was Zutphen bezet door de Spanjaarden op dat moment), maar het kan ook zijn dat ze met Zwitserse huursoldaten deze kant op zijn gekomen. We weten immers zeker dat die op dat moment bij de belegering aanwezig waren (zie een eerdere Erfgoed van de Week: “Geen geld, geen Zwitsers”). En nu hebben we bovendien een sterke aanwijzing dat sommige soldaten last van hun urinewegen of blaas hadden.
