Erfgoed van de week: Een rente van 12 ½ gouden Rijnse guldens
Door Marjan Hartsuiker
In het depot van het Regionaal Archief Zutphen liggen zo’n 6.000 charters (ook wel oorkonden genoemd). De meeste zijn geschreven op perkament (dierenhuid) en voorzien van een of meer zegels. Eerder zijn in de rubriek Erfgoed van de week de zijden zegelstaart en de transfix al aan bod gekomen. In deze aflevering gaan we in op de inhoud van niet één maar twee uit het archief van Leprozenhuis De Worf. Het oudste charter dateert uit 1486, het jongere uit 1609. Dat ze bij elkaar horen, blijkt wel uit het feit dat ze aan elkaar bevestigd zijn. Maar waar gaan ze eigenlijk over?
Het stadsbestuur verkocht in 1486 een jaarlijkse rentebrief van 12 ½ gouden Rijnse guldens aan het echtpaar Johan en Griete van Vliet en hun erfgenamen. In ruil hiervoor kreeg de stad 200 gulden ‘tot onsen bruggen’ – voor de aanleg of het onderhoud van een of meerdere bruggen. Hoewel geld lenen van particulieren (burgers) door steden voor ons misschien een vreemde financiële constructie lijkt, was dit in de vijftiende eeuw voor steden een gebruikelijke inkomstenbron, met name om uitgaven te financieren die niet konden worden gedekt uit de gewone inkomsten van de stad. Dat van deze overeenkomst een akte werd opgemaakt en bezegeld door het stadsbestuur, hoeft niemand te verbazen. Bijna anderhalve eeuw later, in 1609, verkoopt Jan Kijver Henrickszen de rente aan leprozenhuis De Worf. Wat is hier nu precies aan de hand? Hoe kan het dat een rente zo’n lange looptijd heeft? En hoe zijn de rente en de akte in handen van Jan Kijver Henrickszen gekomen?
Stadsrekeningen
In de overeenkomst was bepaald dat de rente moest worden betaald in halfjaarlijkse termijnen, en dat het stadsbestuur de rente op deze termijnen ook mocht afkopen voor 250 gulden. Vanaf 1486 vinden we de betalingen keurig twee keer per jaar terug in de stadsrekeningen, ook in de crisisjaren 1572-1600. Op het moment dat de rente werd overgedragen aan De Worf, in 1609, was er al ruim 120 jaar lang jaarlijks 12 ½ gulden betaald aan de Van Vliets en hun erfgenamen. Dat is meer dan 1500 gulden: bijna acht keer het bedrag van 200 gulden dat de stad in 1486 in ruil voor de rente had gekregen, en zes keer zoveel als het bedrag waarvoor de stad de rente kon afkopen. Ook na 1609 zijn de rentebetalingen nog zo'n 100 jaar te traceren in de Zutphense stadsrekeningen. Daarna loopt het spoor dood, omdat de uitgaven na 1711 alleen nog opgeteld per ontvanger werden bijgehouden, en niet meer per verkochte rente.
Een van vele
De 12 ½ gulden die de stad Zutphen minimaal 220 jaar lang betaalde aan Johan van Vliet en zijn erfgenamen, is slechts een van de vele erfrenten die jaar na jaar, decennium na decennium terugkeren in de stadsrekeningen. Dit komt ons misschien volstrekt onbegrijpelijk voor. Kwam in al die jaren niemand op het idee om deze renten voor het afgesproken bedrag af te kopen? Of waren er simpelweg geen middelen voor? We zullen het waarschijnlijk nooit weten. Het oorspronkelijke bedrag van 200 gulden dat de stad in ruil voor de rente kreeg van Johan en Griete van Vliet, valt in het niet bij het totaal aan betaalde rente, dat rond de 2750 gulden ligt. Hoewel er in de zestiende eeuw en de eerste helft van de zeventiende eeuw sprake was van stijgende prijzen en inflatie, ondanks dat de valuta uit goud of zilver bestond, zou je kunnen zeggen dat de stad Zutphen voor 2500 gulden (omgerekend 750.000 euro) het schip in is gegaan, en dat voor het onderhoud van de bruggen.
