Snelbuffet de Boer: erfgoed, verering en het alledaagse

Het Cultuur- en Erfgoedpact waarin vijf gemeenten de wens hebben uitgesproken om jongeren in contact te brengen met kunst en erfgoed, is in Zutphen opgepakt onder de naam ARMED. In de Kruittoren onderzoeken jongvolwassenen tussen de 18 en 28 jaar het aankomende erfgoedthema van 2026, verering, in al zijn facetten. Maandelijks vertellen ze over hun activiteiten en onderzoek.

Door Jesse Brinkerhof

In dit artikel trapt Jesse Brinkerhof (1994) kunstenaar en begeleider bij ARMED, hun nieuwe seizoen af en verkent hij de verbanden tussen erfgoed, verering en zijn eigen geschiedenis.

"Oh, ik ben niet zo van de foto’s en het bewaren, hoor. Dat was mijn vader ook niet." Deze – voor mij diep ontluisterende – woorden sprak Jan, terwijl zijn vrouw, Marjan, de door mij bestelde berenklauw in het bruisende vet liet tuimelen. Het was tijdens een van mijn wekelijkse bezoekjes aan, wat in mijn beleving de historische friet-tempel van Zutphen is: Snelbuffet de Boer.

De snackbar van echtpaar Jan en Marjan de Boer kent een lange geschiedenis die teruggaat tot 1955. In die zin is zij zeker historisch, maar ze belichaamt ook het oude van mijn jonge, sinds 1994 voltrekkende leven. Niet de verre, ongekende tijden van de Walburgiskerk, waar je een gat voelt tussen de beleving van hen toen en die van jou nu, maar de oude geleefde tijd, die van persoonlijke plekken, terugkomende sensaties, en ingewortelde rituelen. Opgroeiend in Leesten, was juist deze Vinex-frituur op de Polsbroekpassage, met haar verstilde historiserende vlaggetjes, de nuchtere voorpost van die ‘verre’ historische binnenstad.

Bovendien is ‘De Boer’, zoals de meesten haar noemen, verweven met mijn opa en oma van vaderskant, die met hun slaguurwerk en Zutphense tongval eveneens de ‘olde tied van vrogger’ verpersoonlijkten. Oma kocht er de ingevroren frieten om thuis af te bakken en maakte een praatje met haar vriendin Jans (de moeder van Jan) die achter de toonbank stond, terwijl ik met opa een balletje gehakt at en we grapjes maakten ten koste van de passanten. Eenmaal bij hen thuis eerst één koud frietje, dat een laagje vet achterliet in mijn gehemelte, een moment daarna aan tafel, vaak met het journaal aan, waarbij het gepruttel van leegspuitende flessen saus in duet ging met de stem van Noraly Beyer. En dan uiteraard die heerlijke grillige frieten, die door hun ruwe oppervlak de neiging hadden aan elkaar te gaan plakken in oma’s krappe pan.

Je zult begrijpen, De Boer is voor mij veel meer dan een cafetaria, het is haast een bedevaartplaats. Nu dicht ik al gauw veel betekenis toe aan dingen, maar wie oplet merkt dat De Boer voor het overgrote deel van haar klanten niet zomaar een snackbar is. In haast elke interactie proef je een mate van vertrouwdheid. Men wordt bij naam begroet en soms wordt de vaste bestelling alvast vragend over de toonbank geroepen door Jan of Marjan. En dan heb je nog de onophoudende stroom aan begroetingen van buiten. De Boer is een huiskamer van de stad, een sociale stamplek, of zoals de Amerikaanse socioloog Ray Oldenburg het gezegd zou hebben: een third place, naast thuis en de werkplek, waar een deel van het bredere gemeenschapsleven plaatsvindt. Als kunstenaar moet ik denken aan Jeremy Deller, die in 2009 een snackbar uit Lancashire, genaamd Valerie’s, liet nabouwen en hem in een processie door de straten liet paraderen, om hem vervolgens in de Londense Hayward Gallery tentoon te stellen. Het is Dellers ode aan het gewone leven als sociaal fundament. 

De realiteit die geïmpliceerd wordt door de opmerking van Jan, waar ik mee begon, is dat er helaas al een schat aan materiaal van deze sociale Zutphense microkosmos verloren is gegaan. Jan en Marjan zijn ondanks alle vaste klanten en dagelijkse waardering de nuchterheid zelve. Nu wil het dat iets tot erfgoed maken, juist vraagt om datgene te verheffen tot meer dan alledaags. Erfgoed en verering zijn in die zin onlosmakelijk met elkaar verbonden Dit gegeven maakt het aankomende erfgoedthema van 2026, ‘verering’, des te interessanter. Bovendien is vandaag de dag de status van erfgoed zo vanzelfsprekend geworden dat ook het belang ervan al bij voorbaat wordt vereerd, nog vóór we vragen op welke gronden we iets ‘erfgoed’ noemen. 

Toch is het verheffen van geschiedenis geen natuurlijke toestand. Lees maar eens met verbijstering hoe burgemeester Ludolph Van Heeckeren voor de Statistieke beschrijving van Gelderland van 1808 enkele Zutphense iconen beschrijft:

Het stadhuis is een oud gebouw, niets merkwaardigs opleverende (...). Verder vind men alhier in de Groote of St. Walburgskerk vooreerst eene bibliotheekkamer, alwaar men eene meenigte boeken op lezenaaren aan kettingen ziet liggen. Onder deeze vind men geene melding waardig (...). Deze kerk pronkt ook nog met de graftombe van het adelijk geslacht der Heeckerens, doch leverd verder geene merkwaardigheden op, even zo min dezelven elders gevonden worden (...).

Het begrip ‘erfgoed’ is dan ook vaak jonger dan de dingen die dit predicaat opgespeld krijgen. Het is een negentiende-eeuwse uitvinding die het mogelijk maakte een consoliderend verhaal te vertellen van, eveneens een relatief nieuwe uitvinding, de natiestaat: de samenvoeging van een geconstrueerde plek, met een geconstrueerd volk, die zonder dit verhaal maar weinig verbinding vertoond. Erfgoed, destijds het aanbrengen en behouden van een tastbare historische orde, was met name een middel voor gecentraliseerde macht, monumentaliteit en eendracht. Die sfeer van gezamenlijke seculiere verering zien we ook nu nog geregeld, kijk maar eens naar de groots opgezette historische avonturenfilm Michiel de Ruyter (2015), die precies omwille van die verheffende onaantastbaarheid meer vergeet dan onthoudt.

Die orde van grootte is niet waar ik op doelde toen ik Jan en Marjan laatst vertelde dat ik hun snackbar als Zutphens erfgoed beschouw en dat ik graag haar geschiedenis wilde onderzoeken en vertellen. Hun reactie bestond uit een nuchtere, vertwijfelde glimlach, maar ik werd ook meteen uitgenodigd om nog eens te komen praten over het verleden van de cafetaria. Rondwijzend naar enkele foto’s in de zaak zei Jan: "Alles wat je hier ziet, is wat er nog is." Dat stemt weinig hoopvol, maar ik weet uit voorgaande ervaringen: er is altijd meer dan men in eerste instantie denkt. Bovendien zei Jan even later: "Ik vergeet nooit iets." Er ligt dus nog een sociale microgeschiedenis van Zutphen voor het oprapen.

Inmiddels heeft het eerste interview plaatsgevonden. Het geheugen bleek prima en, ja hoor, er was ook meer dan enkel de foto’s in de zaak (zie foto van wat zelfs mijn stoutste verwachtingen overtrof). Maar er is vast nóg veel meer, gezien de vaste klantenkring. Ik hoop dat anderen, die de verschillende gedaantes van het snelbuffet vanaf 1955 hebben aangedaan, mij kunnen helpen met hun verhalen, foto’s en krantenknipsels. Want is De Boer, met haar frieten en ballen gehakt, en al het sociale er omheen, niet waar verschillende generaties elkaar écht kunnen vinden en verstaan, zelfs over een tijdspanne van 70 jaar?

Wordt vervolgd…

Heb jij herinneringen aan De Boer, of heb jij oude foto’s, krantenknipsels of ander materiaal? Help het onderzoek verder en neem contact op met Jesse Brinkerhof via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..